3 aug. 1944, 2e bonkaartenroof te Workum

Binnen de marechaussee was de positie van Gerben Oppewal onhoudbaar geworden. In de zomer van 1944 moest hij onderduiken en kwam zo in Koudum terecht, bij Tjalke van der Wal. Daar zette hij het verzetswerk voort. Op verzoek van verzetsleider Haitze Wiersma te Sneek heeft hij in Koudum een knokploeg opgericht. En meteen vatte hij het plan op om het distributiekantoor te Workum te beroven van bonkaarten. Op 7 juli van dat jaar was dat ook al met veel succes gedaan. Het verzet had de kaarten nodig om onderduikers van eten te kunnen voorzien. Oppewal vroeg toestemming aan Wiersma om de bonnen in Workum opnieuw te mogen weghalen. Hij vroeg hem ook om zelf mee te doen want zijn nieuwe knokploeg, allen onderduikers, was nog onervaren. Wiersma had weinig aandrang nodig. Ook Gerben Ypma haakte aan. Onder de drie verse KP-ers was in ieder geval de marinier Jaap Niemans.

De tweede kraak in Workum vond plaats op de avond van 3 aug. De zes gingen met een auto naar Workum. Het was hen door onderzoek bekend dat de bonkaarten niet op het stadhuis waren, maar bewaard werden in de kluis van de zuivelfabriek 'de Goede Verwachting'. Ze overrompelden de directeur om toegang tot de inhoud van de kluis te krijgen. De buit bestond uit 13.000 bonkaarten. Oppewal, Ypma en Wiersma verstopten ze in Koudum in het huis van wijkzuster Trijntje Scheringa. De andere drie mannen waren toen al uitgestapt.

De kaarten zouden naar het Westen gebracht worden. Van het karton van een 'spikerpúde', een verpakking van spijkers, maakten de mannen een zogenaamde Japanse pas; twee delen die aan elkaar passen. De ene helft behield Oppewal. Op de andere helft stond dat de koerier zich in Koudum moest melden bij Theunis de Vries of Wiebe Munniksma, die hem of haar dan zou doorverwijzen. Maar door verraad van Miep Oranje in Utrecht kende de geslaagde overval een dramatische afloop. De pas uit Koudum kwam in Duitse handen. Het verraad bleef echter niet onopgemerkt en in Koudum was men gewaarschuwd de houder van de pas niet te vertrouwen.

Het duurde tot 14 aug. tot een groepje SD-ers zich voordoend als verzetsstrijders met het pasje naar Koudum kwamen. Wiebe Munniksma was al uit voorzorg ondergedoken. Theunis de Vries had net die week vakantie en was niet thuis. Er was dus niemand die hen kon helpen. Onder de SD-ers waren de beruchte moordende broertjes Pieter Johan en Klaas Carel Faber. Ze klampten mensen aan maar niemand die wat wist of zei. Uiteindelijk, het was al avond, liepen ze stomtoevallig Gerben Ypma tegen het lijf en wat er toen is gebeurd zullen we nooit weten. Ondanks de waarschuwingen heeft Ypma hen naar het huis van de zuster geleid. Hij en de zuster zijn meteen gearresteerd en in de auto voor verhoor meegenomen naar het Scholtenhuis in Groningen.

Cis van Rhijn, een Jodin, zat ondergedoken in het huis van zuster Scheringa met nog een moeder met twee kinderen. Zij zijn niet gepakt zoals P. Wijbenga schrijft in Bezettingstijd in Friesland. In de verklaring die Winus Steenhuisen na de oorlog aflegde staat namelijk dat hij met Anne Osinga en Gerben Oppewal de halve nacht in het huis van Scheringa zijn geweest, o.a. om genoemde mensen in veiligheid te brengen. Cis van Rhijn ging naar Warns en overleefde daar de oorlog.

Alle andere betrokkenen zochten vliegensvlug een goed heenkomen. Op 16 aug. volgde de beruchte razzia in Koudum waarbij Gerben Ypma en Tjalke van der Wal door de gebroeders Faber zijn vermoord.

P. Wijbenga, Bezettingstijd in Friesland, II, met de rug tegen de muur (Leeuwarden 1995) p. 272-281.