Johannes en Pierkje Hoekstra, drukker

Johannes Hoekstra (1891-1954) te Balk, met twee geïnterneerde Belgische militairen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Links Frans Stevens en rechts Edmond Bulckens, ze kwamen allebei uit Antwerpen en hielpen in Balk mee in de drukkerij. Johannes is de latere 'drukker Hoekstra' in Koudum. Rechts Hoekstra in Koudum gefotografeerd voor 'Het Wapen van Friesland', te zien aan de benzinepomp. Bron: Feikje Kemker-Hoekstra.

In dit pand te Koudum, nu Hoofdstraat 10, begon Johannes Hoekstra in 1916 een filiaal van Drukkerij Hoekstra te Balk. Vanaf 1937 was hij zelfstandig drukker (Foto links, langsdeluts.nl).

Een foto uit 1945 van waarschijnlijk het bevrijdingsfeest. Een vrachtwagen omgetoverd tot reclamewagen staat voor het pand aan de Hoofdstaat. Van drukinkt moet de schoorsteen rooken. Bron bovenstaande twee foto's: Feikje Kemker-Hoekstra.

Advertentie uit De Banier.

Het gezin van drukker Hoekstra. Achter v.l.n.r.: Gerry, Johannes Hoekstra en Feikje. Voor v.l.n.r.: Fokke, Henny, Pierkje Hoekstra-Klijnsma en Anny. Bron: Feikje Kemker-Hoekstra.

Verzet in de Tweede Wereldoorlog

Johannes Hoekstra en vrouw en kinderen waren in de Tweede Wereldoorlog nauw betrokken bij het verzet. Ze verschaften onderdak aan onderduikers en in hun drukkerij kwam in 1941 de allereerste Vrij Nederland van de pers. Tot dan was het verzetsblad een geschreven en gestencilde uitgave. Mijn vrouw, zowel als mijn kinderen hebben allen illegaal meegewerkt, noteerde Hoekstra kort na de oorlog in een rapport ten behoeve van de Vereniging Friesland 1940-1945. In het rapport noemt hij de namen van vier onderduikers: Dick Tersteeg uit Groningen, Jacob Niemans, een Nederlandse marinier uit Den Haag, die hier bij de knokploeg een zeer werkzaam aandeel had, Andries Reuvers uit Staveren en ene Jan, die actief was bij de knokploeg van Voorburg, en hier 14 dagen onderdook. Ze hebben nooit naar zijn naam  gevraagd. Hogstwaarschijnlijk is het Jan Tuchscherer.
Ze namen grote risico's. Hoekstra en zijn zoon Fokke moesten zelf ook onderduiken en hij heeft menigmaal voor zijn leven moeten vrezen, het had weinig gescheeld of ook hij was op 16 augustus 1944 vermoord, net als Van der Wal en Ypma, maar als door een wonder ontsnapte hij iedere keer aan het noodlot.
Hij bekritiseerde in 1942 de bezetter in de door hemzelf uitgegeven Koudumer krant en moest daarvoor in Leeuwarden op het matje komen bij de beruchte SD-er Zacharias Sleijfer (1911 – 1952). Ik had n.l. in een gedichtje in de Balkster Courant teveel gezegd. Sleifer bracht  mij de vuist onder ’t kin toen ik hem niet wilde aanzien en volgens hem ‘brutaal’ was. Met een bedreiging met [deportatie naar kamp] Vucht werd ik wonder boven wonder vrijgelaten. Het gedichtje waar hij op doelt is een 'Sprankeling' zijn wekelijkse collumn in dichtvorm die hij ondertekende met Sprankelaar.

Een Sprankeling uit januari 1945, getiteld 'Ons land is zoo teer', waarin hij Mussert aanviel als reactie op diens radiotoespraak met dezelfde titel, heeft Hoekstra nooit gepubliceerd.

Sprankelaar, 'ONS LAND IS ZOO TEER'

Ach Mussert, spaar ons je gevlei

Je zoete praat, je medelij

“Ons land is teer” heb je gezegd

Maar zie, ons volk staat fier en recht

Het stoort zich niet aan leugenpraat

Is eerlijk in zijn liefde en haat

Al is ons land ook nog zoo teer

Ons volk buigt voor geen vijand neer.

Ons volk is teer, ja, maar het hoort

Nooit aan een Führer, die zijn woord

Verwisseld als een oude jas

Die eerst zweert bij het oude ras

En die als -hij flink verliest-

Dan plotseling “Europa” kiest !

Zoo’n uitvlucht nemen wij niet meer

Ons volk buigt voor geen vijand neer.

Hij kwam hier als een plunderaar

En nu is hij een martelaar?

Wie eerst een ruit aan stukken smijt

En dan zich aan de scherven snijdt

Heeft toch geen recht op ons beklag?

Dat is het dwaast wat ik ooit zag.

Niet alleen Duitschers hebben “eer”!

Ons volk buigt voor geen vijand neer.

Wij houden van ons “teere” land

En haten dus de schennershand

Die alles plundert en vernielt

Daar niets dan afgunst hem bezielt,

Die onze volksaard breken wil

Met zijn onmenschelijk gedril

En zijn barbaarsche, wrede leer!

Ons volk buigt voor geen vijand neer.

Wij houden van ons land zoo veel,

Dat wij het nooit zien als een deel

Van een verslaafd germanendom,

Dat stappen moet op Hitlers trom

Wie, Mussert, ooit dat deuntje kiest,

Is één, die alle recht verliest

Ons ooit te spreken van zijn eer!

Ons volk buigt voor geen vijand neer.

Spaar ons dus verder je geklets

Het is nooit meer dan Duitsch gezwets

Hoe je ook zwoegt en zweet en slooft

Er is niet één die het gelooft

Al zing je ook het teerste lied

Wij doen het niet, wij doen het niet!

En ‘k zeg je voor de laatste keer,

Ons volk buigt voor geen vijand neer.